Een terugkerend thema in mijn werk is dat de eindgebruiker zelden de "gemiddelde gebruiker" is. Een nabestaande die net een dierbare verloren heeft, een doof of slechthorend kind dat leert lezen, een docent die WebRTC bedient zonder techneut te zijn, een lab-medewerker met haastige handen — ze vragen alle vier iets anders van software dan een doorsnee productdemo.
Bij het educatieve spelletjesportaal voor dove en slechthorende kinderen mikten we expliciet op WCAG A++. Toegankelijkheid betekende voor dat project véél meer dan een paar contrastinstellingen: alle interactie moest werkbaar zijn met toetsenbord, schermlezer en wisselende invoerapparaten. Animaties, geluiden en visuele feedback waren bewust ondersteunend en nooit blokkerend; alle inhoud moest op meerdere manieren bereikbaar zijn. Dat dwong scherpere keuzes af in markup, focus-management en componentontwerp dan in een gemiddeld project.
Bij het nalatenschap-portaal stond mens-gerichte UX op een andere manier centraal. Wie net een dierbare verloren heeft, wil niet vechten met een formulier. De stappen moesten logisch en begrijpelijk zijn, met taal die niet onnodig formeel werd, en met visuele rust die niet wegduwt maar uitnodigt. Design en development werkten heel kort op elkaar, en iedere ontwerpkeuze werd getoetst aan dezelfde vraag: helpt dit een mens die zich nu zwaar voelt, of niet?
Bij de docentenleeromgeving voor gebarentaal kwam toegankelijkheid weer in een andere vorm terug: een interface die laagdrempelig moest blijven voor mensen die geen techneut zijn, met heldere feedback wanneer een WebRTC-verbinding niet wil komen. Bij de COVID-portalen ging het om een UI die in stress-situaties (eindeloze drukte, snel wisselende richtlijnen) door uiteenlopende doelgroepen bediend moest worden.
Wat deze projecten bindt is een zelfde principe: ontwerp niet voor de mediaan, ontwerp voor de randen. Wie aan de randen werkt — beperking, stress, onbekendheid met techniek — bouwt vrijwel altijd ook iets dat voor het midden beter werkt. Andersom werkt het zelden.
Voor mij is dit type werk een van de aantrekkelijkste delen van het vak. Goede techniek wordt pas écht waardevol op de plek waar ze stille, dagelijkse drempels weghaalt — voor mensen die er zonder een paar slimme ontwerpkeuzes simpelweg niet bij zouden kunnen.

